Gekrijs van zeemeeuwen, zand dat je gezicht striemt, schuim dat hoog opspat. De wind die om je toren giert.

In een vuurtoren zou ik willen wonen. Het is een baken voor diegenen die op zee zijn, een markering voor het einde van het land. Het is daar waar de werelden van de landrotten en zeelieden bij elkaar komen. Het is daar waar het geweld op elkaar inbeukt. Het is daar waar ik zou willen wonen. Althans voor een tijdje.

"Waar het water met geweld tegen opspat en de schuimvlokken je om de oren vliegen. "

En dan heb ik het niet over de vuurtorens in de duinen van Nederland, maar de vuurtorens op de metershoge kliffen. Waar het water met geweld tegen opspat en de schuimvlokken je om de oren vliegen. Waar de zee constant aan het land knabbelt en het zich eigen wil maken. Daar op dat grensvlak wil ik wonen. En werken. En trainen. En leven.